Bestemmingsplan

Functie en onderdelen van het bestemmingsplan
Wanneer u een licht-vergunningsplichtige of vergunningsplichtige bouwplan heeft en deze bij de gemeente indient, dan toetst de betreffende gemeenteambtenaar van bouw- en woningtoezicht dit plan onder meer aan het geldende bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan geeft aan welke bestemmingen (bijv. woondoeleinden, bedrijven, kantoren, groenvoorziening, wegen) voor bepaalde gebieden gelden. Op de bijbehorende plankaart, waarop ook de begrenzing van het plangebied is weergegeven, worden deze bestemmingen aangegeven. Verder bevat het bestemmingsplan voor elke aangeduide bestemming regels voor bebouwing die er mag worden opgericht (bebouwingsvoorschriften), voor het gebruik van de grond en gebouwen
dat is toegestaan (gebruiksvoorschriften) en in sommige gevallen voor werkzaamheden die er mogen worden verricht (aanlegvoorschriften). Ook kan een ‘beschrijving in hoofdlijnen’ in het plan worden opgenomen, die aangeeft op welke wijze de gestelde doeleinden met het plan worden nagestreefd.

De bestemming en voorschriften voor elke afzonderlijke bestemming, eventueel vergezeld van een ‘beschrijving in hoofdlijnen’, geven dus aan wat er op een bepaald perceel mag worden gebouwd en waaraan deze bebouwing moet voldoen voor wat betreft de situering, de maximale goot- en nokhoogte, dakhelling, afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, etc..
Daarnaast bevatten de voorschriften regels die meer algemeen gelden, zoals de begripsbepalingen en meetvoorschriften. Aan de hand daarvan kan worden bekeken wat precies onder bijvoorbeeld een hoofdgebouw,
een aanbouw of een bijgebouw wordt verstaan.

Om de nodige flexibiliteit te kunnen hanteren, zijn in het bestemmingsplan vrijstellings- en wijzigingsbepalingen opgenomen. Een vrijstellingsbepaling maakt het mogelijk om binnen bepaalde grenzen af te wijken van de bestemmingsregels. Zo kan bijvoorbeeld worden bepaald dat burgemeester en wethouders in bepaalde gevallen vrijstelling kunnen verlenen van de voorgeschreven goothoogte om op deze wijze een grotere goothoogte toe te staan. Vrijstellingen van de bestemmingsplanvoorschriften blijven binnen de grenzen van de bestemmingsomschrijving. Het betreft een verruiming van de regels, zonder dat de bestemming daardoor wezenlijk wordt gewijzigd.

Dat is niet het geval bij de wijzigingsbevoegdheid. Deze heeft namelijk betrekking op de mogelijkheid om de in het plan vastgestelde bestemming te wijzigen in een ander bestemming. Omdat deze bevoegdheid toch relatief ingrijpend is, moet in het bestemmingsplan wel duidelijk worden aangegeven op welke onderdelen van het bestemmingsplan de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft en welke objectieve grenzen in acht moeten worden genomen. Voor gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid, moet een aparte procedure worden gevolgd, die eenvoudiger en korter is dan de volledige bestemmingsplanprocedure.

Naast één of meerdere plankaarten en voorschriften, die het juridisch bindend gedeelte vormen, bevat het bestemmingsplan een toelichting, waarin de achtergronden en uitleg van het plan worden beschreven. Hoewel aan de toelichting zelf geen rechten of plichten kunnen worden ontleend, kan de toelichting wel een belangrijke rol spelen bij interpretatieverschillen over de voorschriften.

Bestemmingsplanprocedure

In de voorbereidingsfase worden de benodigde gegevens verzameld en vindt een inventarisatie plaats van de bestaande situatie (o.a. bestaande bebouwing en functies) en wordt de gewenste ontwikkelingsvisie geformuleerd. Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient ook rekening te worden gehouden met plannen van hogere overheden (bijvoorbeeld het streekplan van de provincie)

Vaak besteedt de gemeente het opstellen van een (concept-)bestemmingsplan uit aan een stedenbouwkundig adviesbureau. Wanneer de gemeente beschikt over een plan dat ‘naar buiten’ kan, vindt er vooroverleg plaats met de andere betrokken overheden. In dit vooroverleg speelt de Provinciale Planologische Commissie (PPC) een belangrijke rol. Tevens wordt het voorontwerpplan ter inzage gelegd en kan iedereen gedurende de termijn van terinzageligging  (twee tot vier weken) een inspraakreactie geven.

Wanneer de uitkomsten van het vooroverleg en de inspraakreacties zijn verwerkt, begint met de terinzagelegging van het ontwerpbestem-mingsplan de formele procedure, zoals die is neergelegd in de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Gedurende de termijn van terinzageligging van het ontwerpplan (4 weken) kan iedereen zijn of haar zienswijze kenbaar maken.

Daarna stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast. Ook dit plan wordt weer gedurende vier weken ter inzage gelegd. Tijdens die periode kunnen degenen die eerder tijdig hun zienswijze kenbaar hebben gemaakt, bedenkingen indienen bij de provincie (Gedeputeerde Staten). Wanneer het plan gewijzigd is vastgesteld, dan kan iedereen bedenkingen bij Gedeputeerde Staten (GS)  indienen tegen die wijzigingen. Ook een belanghebbende die aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest zijn zienswijze op formeel correcte wijze bij de gemeenteraad kenbaar te maken, kan bedenkingen indienen bij GS.

Het vastgestelde bestemmingsplan wordt met de eventuele bedenkingen ter goedkeuring voorgelegd aan de Gedeputeerde Staten. Deze hebben de mogelijkheid om naar aanleiding van ingebrachte bedenkingen of uit eigen beweging (ambtshalve) te besluiten om goedkeuring te onthouden aan het bestemmingsplan of aan gedeelten daarvan.

Het goedkeuringsbesluit wordt daarna voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Degenen die eerder tijdig hun bedenkingen hebben ingediend, kunnen gedurende deze termijn  tegen het goedkeuringsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Het bestemmingsplan treedt in werking na het verstrijken van deze beroepstermijn. Op dat moment kan het nieuwe bestemmingsplan als formeel toetsingskader dienen. Wanneer echter een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, wordt het moment van inwerking treden uitgesteld. Het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening heeft dus een schorsende werking.
Wanneer de hier summier beschreven bestemmingsplanprocedure wordt gevolgd, inclusief beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak, dan kan het wel  3,5 jaar na de opdracht tot het vervaardigen van een voorontwerp-bestemmingsplan duren voordat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden en dus rechtskracht heeft verkregen.
Dit zou betekenen dat het jaren duurt voordat bouwvergunning kan worden afgegeven voor een bouwplan, dat in strijd is met het geldende bestemmingsplan, maar waaraan de gemeente planologische medewerking wil verlenen door middel van een herziening van het bestemmingsplan.

In de Wet op de Ruimtelijke Ordening, cq. Woningwet is echter een vrijstellings-, cq. anticipatiemogelijkheid opgenomen, die het mogelijk maakt om vrijstelling van het geldende bestemmingsplan te verlenen en om vooruitlopend op de totstandkoming van het nieuwe bestemmingsplan bouwvergunning te verlenen. Deze procedure wordt ook wel de “artikel 19-procedure” genoemd.

Vanaf 3 april 2000 is deze procedure gewijzigd in een zelfstandige projectprocedure, die een plaats krijgt naast het bestemmingsplan, maar waarbij de koppeling met het bestemmingsplan niet geheel wordt losgelaten.