Bouwvergunning

In de Woningwet zijn de belangrijkste regels voor de aanvraag, verlening en weigering van bouwvergunningen te vinden. Zo is in artikel 40 bepaald, dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van vergunning van burgemeester en wethouders.
Op deze hoofdregel is in deze wet een uitzonderingscategorie genoemd, te weten de vergunningsvrije bouwwerken (o.a. dakkapellen van geringe omvang, aan- en bijgebouwen van beperkte omvang, kleine open overkappingen, laag tuinmeubilair, een schutting).

Dus een bouwvergunning is vereist voor ‘bouwen’. In de Woningwet wordt onder bouwen verstaan: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouw-werk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats.

Het begrip bouwwerk is daarbij cruciaal. Hoewel de Woningwet geen definitie geeft van het begrip bouwwerk wordt in de jurisprudentie aangesloten bij de definitie die de Modelbouwverordening geeft: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”.

Verder zijn er twee soorten bouwwerken, te weten gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde. In artikel 1 van de Woningwet wordt een gebouw omschreven als elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Voorbeelden van gebouwen zijn woningen, schuren, kantoren, carports en constructies met meer dan twee wanden. De bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn de categorie bouwwerken die niet onder de definitie van gebouwen valt. Voorbeelden daarvan zijn een vlaggenmast, standbeeld of een afdak met slechts één muur.